Ontmoetingen

Het is 1 uur ’s nachts, de trein heeft twee uur vertraging en ik lig in het onderste bed van de slaapcoupé. De Duitse (of Oostenrijkse) man komt ons compartiment binnen. Ik zeg “gutenabend” maar hij is al naar boven gespurt. Ik hoor wat gerommel en een minuut later hoor ik het evenwichtige ademhalen van een mens die slaapt.

‘s Morgens worden we gewekt met een luid gebonk op de deur. Nog voor ik de tijd heb om me om te draaien en recht te staan is hij al uit het bovenste bed gesprongen om zijn ontbijt te ontvangen. Ik zeg “gute morgen” maar hij is al samen met zijn ontbijt terug de ladder opgekropen met een verbazingwekkende efficiëntie. Hij roept nog “gute morgen” terug, maar het volgende uur hoor ik niets meer.

Bij aankomst in Wenen vlucht hij zo snel mogelijk het compartiment uit. Hij wenst me nog snel een goede reis, en weg is hij.

Onthaasting is aan deze man niet besteed. Duitstalige efficiëntie in al zijn facetten.

 

In de bar van de hostel in Wenen leeft iedereen alsof het de laatste avond is. Een plek waar hedonisme het enige juiste ordewoord is. De jeugd drinkt bier en jägerbombs alsof hun leven er van af hangt. De in Hawaïhemd geklede barman laat het graag gebeuren. Hij laat shotjes sterke drank balanceren op de rand van een halve liter glas en geeft hen een waterpistool. De Fransman, Amerikaan en Oostenrijker hebben slechts één poging nodig om de jägermeisster via een vakkundig gericht schietkraamschot in hun halve liter glas te doen belanden. De Aziatische jongen, die zijn laatste zuurverdiende in euro’s gewisselde South Korean Won aan dit drankje heeft gespendeerd, mist zo vaak dat het waterpistool zonder munitie zit. Het hoongelach is pijnlijk. De Koreaan weet zich geen raad en lacht schaapachtig. De Amerikaan neemt het wapen en gebruikt de kolf om het shotglas om te werpen in het bier onder de wijze woorden: “If you don’t train better, the North Koreans might win! “. De Koreaanse jongen is gelukkig, hij heeft internationale vrienden gemaakt. Het gezelschap lacht, alcohol lijkt iedereen met elkaar bevriend te hebben voor een avond.

Ik draai me om en begin te praten met een Zweedse meid over de prachtige Scandinavische natuur.

 

In de EuroCity-trein naar Ljubljana zitten twee Britse jongens, achttien jaar oud, met een kater opgelopen in Budapest. Een Zweedse kerel met zijn Sloveense vriendin vervoegen ons. De conversatie gaat grotendeels aan de lijdende Britten voorbij. We praten over hoe Zweden modern is, hoe Slovenië prachtig is, en hoe België eigenlijk niet goed weet wat het is. De Zweedse drang naar vernieuwing toont zich wanneer de treinbegeleider een ticket wil verkopen en ze beiden enkel een bankkaart bij zich hebben. “In Zweden betaalt niemand nog met cash”, probeert hij nog tevergeefs, maar een kaartterminal kan de treinbegeleider niet plots tevoorschijn toveren. Ik leen hen tien euro die ik braaf terug krijg bij aankomst in Ljubljana. Deze eerlijke mensen herstellen mijn geloof in de mensheid, ik arriveer in mijn sympathieke hostel met een glimlach op mijn gezicht die ik een hele avond niet meer kwijt raak.

Ljubljana maakt gelukkig.

 

“How are you, where are you from?“ Ik kijk op van mijn boek. We bevinden ons in Metelkova, een soort Dour Festival dat 365 dagen per jaar doorgaat. Zijn achternaam is Piltz, zegt hij. “It means mushroom”. Ik leg uit dat in mijn taal pils een alcoholische drank is. Hij is een kerel van eenentwintig die eruit ziet alsof hij al een keer geleefd heeft. “Ik ben nu al twee jaar clean”, vertelt hij. “Ik gebruik geen cannabis meer, enkel stimulerende middelen”. Ik laat hem zijn verhaal doen. “Ik weet niets meer van gisteren. Ik was hier DJ. Dan heb ik molly (MDMA) gebruikt en ik weet niet meer hoe mijn DJ set geëindigd is. Misschien moet ik het opzoeken in de geschiedenis van mijn computer. Ik gebruik geen cannabis of andere geestverruimende middelen meer, het gaf me psychoses. Ik heb twee maanden in een psychiatrisch ziekenhuis gezeten! Enkel nog molly en coke enzo. Wat gebruik jij?” “Ik vind pintjes wel lekker”, antwoord ik. “Dat zijn ook drugs! Zin in een feestje in de club hiernaast?”. Hoewel ik zin heb in een feestje, weet ik ook dat ik moet opstaan om 8u ‘s ochtends. Ik verontschuldig me en hij gaat verder feesten. Ik praat nog even met enkele Duitsers over reizen door Albanië en wandel met een omweg terug naar de hostel. Ljubljana maakt me gelukkig.

De volgende ochtend om tien uur kom ik mijn afgekickte vriend tegen op straat. Ik draag een zware trekkersrugzak, hij draagt een zware nacht met zich mee. “Ik heb een hele nacht niet geslapen, Molly hield me wakker. Nu ga ik naar huis. Ik moet inpakken. Straks vertrek ik naar een festival in Kroatië!” Ik wens hem veel succes en ik meen het. Ik hoop dat hij gelukkig is. Of het op zijn minst ooit zal zijn.